Aansprakelijkheid: het basisprincipe

Binnen een vzw bestaat het aansprakelijkheidsstelsel uit vier delen: de aansprakelijkheid van de leden, de aansprakelijkheid van de bestuurders (en/of de persoon aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen), de aansprakelijkheid van de vzw zelf en de aansprakelijkheid van de vrijwilligers.

Principe: beperkte aansprakelijkheid

De V&S-wet voorziet in een stelsel van beperkte aansprakelijkheid. Het uitgangspunt is dat de vzw zelf aansprakelijk is voor de tekortkomingen van haar leden en bestuurders (en vrijwilligers). Wanneer leden en bestuurders bepaalde fouten of tekortkomingen begaan, kan alleen de vzw worden aangesproken om die recht te zetten of te compenseren. De reden voor deze beperkte aansprakelijkheid vinden we in de rechtspersoonlijkheid van de vzw. Er bestaat namelijk een zogenaamde muur tussen de leden en bestuurders (die de organen van de vzw vormen) en de buitenwereld. Op deze regel bestaan evenwel de nodige uitzonderingen waardoor mogelijk ook de bestuurder, het lid of de vrijwilliger zelf aansprakelijk kan worden gesteld. Hieronder worden deze uitzonderingen onder de loep genomen.

Geldt deze algemene regel ook bij een feitelijke vereniging?

Neen. Een feitelijke vereniging heeft namelijk geen rechtspersoonlijkheid . Dit betekent dat een dergelijke vereniging 'feitelijk' wel bestaat, maar door het recht niet wordt herkend. Wanneer er binnen de feitelijke vereniging iets misloopt, denk maar aan een ongeval bij een wijkfeest of een aankoop die niet betaald wordt, dan komt men automatisch bij de leden van deze feitelijke vereniging terecht. Het bijkomend risico is dan ook niet te onderschatten.